Het verbond van Trias

Speel mee in RPG-herberg De Blaffende Vis. Vreemde, grappige en angstaanjagende verhalen doen hier de ronde.

Moderator: Herbergiers

Chaman
Hemelkenner
Berichten: 464
Lid geworden op: 27 apr 2004 22:58
Locatie: Culemborg

Het verbond van Trias

Ongelezen bericht door Chaman » 31 jul 2004 21:47

Dit verhaal is gesloten, mocht je toch dit verhaal verder willen zetten, stuur een pb naar Agravaìn, motiveer!

Geen herbergier, moderator of Admin is aansprakelijk voor spel-, grammatica- en/of andere fouten in dit verhaal.

edit by Agravain: Chaman vervangen door Agravain als herbergier.
edit by Agravain: Qemwen verwijderd als herbergier.


Na lang praten mochten we eindelijk onder strenge voorschriften deze rpg verder zetten.
Hieronder vind je eerst een mythologie over de wereld waarin deze rpg gesitueerd is, die we je aanraden om te lezen. Daaronder staat een korte beschrijving van mijn en waylander’s personage, die als enigen speciale achtergronden kregen voor dit verhaal. Ik hoop dat velen willen meedoen. We beginnen in een mensenherberg, dus meld je gewoon aan, en je mag mee op avontuur in.

Het verbond van Trias

Zo is het mij, de laatste der almachtige Alras, overgeleverd door de geschriften van de heilige voorvaderen die deze aarde voor mij bewandeld hebben. Nu, in de tijd van wanhoop, veldslagen en dreiging van alle kanten, meen ik, Aronado, de voormalige leider van mijn volk, nu de laatste telg van de 7 geslachten, dat de geschiedenis van de wereld, die wij vandaag kennen als Phareion, vroeger ook gekend als Phireaion, de wereld der zeeën, eindelijk in 1 lange tekst moet opgenomen worden opdat het nageslacht, als dat nog zal overleven, de geschiedenis en het geloof in de Ware Goden niet verliest.

Het was in de eerste dagen van de tijd, dat de 3 Ware Goden, Vitagion, de God van Het leven en de natuur, Mortiotis, de God van de dood en de oorlog, en Creaster, de God van de schepping en de levensadem, samen zetelden op hun 3 hoge tronen in de kring der sterren. Lange tijd hadden zij zich voorbereid op schepping van de nieuwe wereld, die, niet zoals de andere werelden die ze gemaakt hadden, perfect in harmonie zou zijn en geen lijden of dood, de gaven van Mortiotis, zou kennen. Hoewel Mortiotis niet opgezet was met het idee dat hij slechts weinig vat zou hebben over de planeet, stond hij wel achter het idee dat ze nu eindelijk een perfecte planeet hadden gemaakt, een planeet zonder zorgen, waar zij hun verdere dagen zouden kunnen vertoeven, levend onder de wezens die Creaster en Vitagion tot leven hadden gewekt. De planeet was al lang geleden geschapen geweest, uit een zwevend rotsblok, eens een deel van een zon. Creaster had de planeet een kern gegeven en hierdoor trok de planeet, met zijn nieuwe zwaartekracht al de waterdruppels uit het heelal naar zich. Mortiotis, met zijn enorme kracht, zorgde ervoor dat de planeet in een kring rond een mooie, jonge zon bleef ronddraaien. Nu kon Vitagion eindelijk beginnen met mooie wezens te scheppen, en die met de hulp van Creaster levend te maken, en met de hulp van Mortiotis onsterfelijk, slechts sterfelijk door wonden, toegebracht door wapens van andere rassen. 2 Grote volkeren werden gemaakt, de Crins, bewakers van de elementen, water en lucht, die huisden in de diepten van de zee, en de Leyts, grote, hagedisachtige wezens, met een voorkeur voor het zeeoppervlak, die in grote kolonies rondzwerven in de uitgestrekte oceanen. Op de planeet ging alles goed, hoewel de volkeren, door gebrek aan land, niet konden evolueren. De Goden zagen dit, en, met de bedoeling land bloot te leggen met een grote schokgolf, slingerden zij een grote meteoor met een enorme kracht naar de paneet. Het plan lukte, de meteoor sloeg een enorme krater en de schokgolf bracht een groot stuk land naar boven. De meteoor sloeg echter met een veel te grote kracht in en raakte de kern van de planeet. De zwaartekracht die de planeet samenhield, viel weg en aan de onderkant, de kant die aangetrokken werd door de zwaartekracht van de zon. Het water begon van de planeet weg te zweven de ruimte in, en het water verdween langzaamaan aan de onderkant van de planeet. Ook het land, dat door het dalende waterpeil vrijkwam, begon te stijgen en er vormden zich grote pieken van land die aangetrokken werden door de zon. Een bergketen van 12 enorme pieken vormde zich in het oostelijke gedeelte van de planeet. De Goden begonnen te vrezen voor hun prachtige planeet, want de wezens konden niet overleven zonder water. Met uiterste krachtinspanningen tilden zij de meteoor uit de krater en Creaster herstelde de kern, hierdoor een nieuw element creërend, het vuur, dat in het binnenste van de aarde vloeide.. Het water zweefde terug naar de planeet, en het waterpeil steeg weer. Slechts de 12 pieken, de randen van de krater, en het land dat door de schokgolf was bovengekomen herinnerden aan de enorme ramp die de planeet had getroffen. Nu het evenwicht was hersteld, konden de Goden de wezens wat meer vrijheid gunnen. De Leyts, het hagedissenvolk, werd aangetrokken door de uitgestrekte landvlakten die zich hadden gevormd, en zij trokken zich terug uit het water en begonnen zich te vestigen op het eiland Traaltidato, wat letterlijk betekent, gegeven door de steen. De Crins, het volk van de elementen, kwam ook naar de oppervlakte, en in plaats van naar Traaltidato te gaan, vestigden sommigen zich op de 12 bergpieken in het oosten, in latere talen de Montes Duodecil genaamd.
maar vele Crins bleven achter in het water, anderen, aangezien zij de lucht beheersten, werden nu ook voor het eerst aangetrokken door de vrijheid van de hemel, en sommigen zelfs, beklommen de bergen, en doken in de grotten en gaten van de pieken, om zo in het midden van de aarde terecht te komen, en daar het nieuwe element van Creaster, het vuur, te vinden. Zo geschiedden vele duizenden jaren, van vrede en harmonie, waarin de Leyts evolueerden naar landwezens met een gevoel voor handarbeid en grootste ondernemingen. Zij werden het meeste geliefd door Mortiotis, de God van de dood, die de volharding en het vernuft van de Leyts ten zeerste bewonderde. De Crins, verdeeld in de 4 elementen, evolueerden naar een nieuw volk, nog steeds noemden zij zich de Crins, maar zij hadden elk een speciale vorm, taal, cultuur en bewegingsmanier, afhankelijk van het element waarin zij huisden. Het vuurvolk, teruggetrokken in de kern, werd Chrispian genoemd, naar hun vroegere leider. Zij hadden een volmaakte symbiontose met het vuur ontwikkeld en leefden van de energie die de lava hen gaf. Het Watervolk, Fluvissan genaamd, ook naar hun vroegere leider, bewoog zich onzichtbaar onder het wateroppervlak voort, en leefde van zeeplanten. De Rolegus, het volk van de aarde, woonde op en rond de 12 pieken, waar zij grote steden hadden gebouwd en leefden van de planten die weelderig groeiden op de hellingen van de bergen die met hun dreigende toppen langs de verre hemel streken. De Ferocius, het volk van de hemel, zweefde langs de wolken, dook achter de slierten wind aan, en leefde van de levensadem van Creaster, die deze wezens ten zeerst aanbad. Vitagion, de God van het leven, had groot respect voor de volkeren van het land en water. Aangezien de Chrispian in de kern woonde, had geen der Goden hen ooit gezien, en wisten zij niet van hun bestaan af. Vitagion en Creaster echter, hadden een hevige afkeer van de Leyts, de grote en onnadenkende landdieren die Traaltidato bewoonden. Hierdoor kwamen nogal wat meningsverschillen tussen Mortiotis, die de Leyts plachte op te zoeken, en Creaster en Vitagion, die de Crins verkozen. Eindelijk was de tijd gekomen dat de Goden het moment om naar de planeet af te dalen en zich daar permanent te vestigen. Mortiotis nam genoegen met een paleis op Traaltidato, dat daar gebouwd werd door de Leyts, die in de tussentijd al heel wat voorstonden op de Crins inzake ontwikkeling en industrie. Creaster, aangetrokken door zijn verlangen naar de hemel, liet door de Ferocius een paleis van wolken bouwen, hoog boven de Montes Duodecil, vanwaar hij de hele planeet kon aanschouwen.
Vitagion, die niet kon kiezen tussen zee of land, liet een grot uithakken onder de zeespiegel in de 9de van de 12 bergen. Zo kon hij bij de Rolegus en Fluvissan zijn. Creaster en Vitagion ondervonden echter problemen. Omdat de Crins onsterfelijk waren, en zich razendsnel voortplantten, werden de rijken van de land, lucht en watervolkeren snel kleiner, omdat de buitenste regio’s van de planeet te gevaarlijk waren, omwille van aardbevingen en hevige stormen. Mortiotis, op Traaltidato, ondervond hier geen problemen mee. De Leyts, omwille van hun groten gestaltes en hun veelvuldige onderlinge meningsverschillen, plantten zich slechts traag voort en legden zich meer toe op hun industrie en ontginning. Toen hadden Creaster en Vitagion de ideale oplossing gevonden. Zij zouden Traaltidato zuiveren van de luie, en onnuttige Leyts en de Crins hier onderbrengen. Mortiotis was woest om deze plannen en beschermde Traaltidato met zijn magie. Creaster en Vitagion, die hun krachten nodig hadden om de Crins in leven te houden, konden niets doen om de overbevolking van de Crins te voorkomen. Velen stierven omdat ze het waagden naar de verre regio’s te reizen en daar om te komen in stormen en aardbevingen. Mortiotis begon in te zien dat de Crins uiteindelijk Traatidato zouden binnenvallen en dat de Leyts zouden verliezen. Hij leerde zijn volk daarom zij kunsten van de zwarte magie, en Machtige, duistere Sjamaans, met de kracht om het leven te bedwingen, stonden op uit de Leyts en onderrichten de anderen. Mortiotis maakte zich op om de Montes Duodecil in te nemen. Creaster en Vitagion, zo verzwakt door de krachten die de Crins van hen vroegen, lieten dit met argusogen toe, maar ze hadden nooit verwacht dat Mortiotis hen zou aanvallen. Toch gebuurde dit. De Slag om de Montes Duodecil, ook wel de slag van de magie genoemd, vond plaats 5555 jaar na de inslag van de meteoriet. De Leyts, bijgestaan door de Duistere Sjamaans en de kracht van Mortiotis, zeilden met enorme schepen naar de oostelijke pieken van de hemel en plaatsten de Crins onder een betovering. Zij hadden nu de kracht gekregen de Crins te controleren. De Sjamaans gaven de Crins opdracht eeuwig te slapen, totdat zij hen opriepen. Vitagion en Creaster werden opgesloten in hun eigen kastelen en Mortiotis regeerde over de planeet. De Chrispian echter, onbestaand voor Leyts en hun medeCrins, hadden niet stilgezeten in de kern van de aarde.
Zij kwamen aan de oppervlakte, een kracht meebrengend die nooit in deze wereld gezien was, de kracht van het vuur. De Leyts vluchtten weg voor de wrede Chrispian. Maar de Chrispian konden niet voorkomen dat de Leyts de Rolegus, het volk van de aarde meenam naar Traaltidato, om hen daar in de grond te laten slapen, voor eeuwig. De Andere Crins werden terug tot leven gewekt door de vrijgelaten Creaster en Vitagion, die zich verbaasden over het bestaan van de Chrispian. Mortiotis was Verbolgen over het verlies van de Leyts en verklaarde de oorlog aan Vitagion en Creaster. De Chrispian konden nu de andere Crins in leven houden door de energie van het vuur, en de twee Goden hadden de handen vrij om Mortiotis aan te pakken. Een groot gevecht vond plaats in de hemel, waarbij het paleis van Creaster werd vernield, maar waarbij ook Mortiotis het leven liet. Hierdoor verdween de toverkracht van de Leyts, maar de beschermende koepel over Traaltidato bleef alsook de betovering over de Rolegus, die nog steeds sliepen onder het aardoppervlak van het eiland.
Nu toch de Overgebleven goden een overwinning geboekt hadden, en nadat het paleis van creaster opnieuw was opgebouwd, uit de as van zijn vorig paleis, en toepasselijk Phanins werd genoemd, bleven de crins over op de montes duodecil, samen met de Chrispian, die hen in leven hielden. Nu echter drong weer het probleem van overbevoking. Met de Chrispian had het kleine levensgebied van de crins weer een grote hoeveelheid bewoners bijgekregen, en nog altijd bleef de voortplanting alarmerend hoog. Een strenge maatregel was zeer dringend. Nu echter Mortiotis dood was, en de leyts hun toverkracht kwijt waren, scheen het de goden toe dat traaltidato gemakkelijk in te nemen was. Zij verzamelden een leger van Fluvissan, voor de rivieren op traaltidato bezet te houden, een deel Van de Ferocius zou de voorhoede in de lucht vormen, en de wreedheid van de Chrispian zou voor de troepen hun grootste slagkracht zorgen. Gezeten op de wolken, golven, en op de stromen van lava, trokken de crins, onder steun van de goden, naar traaltidato. Uit het zuiden naderden zij haar, uit de montes duodecil, en zij gingen recht op het vroegere paleis van Mortiotis af, dat nu een heilige plaats was voor de leyts. Velen stierven die dag, precies 1 jaar na de dood van mortiotis, maar de meeste slachtoffers waren Chrispian. Door hun vaste vorm, bestaande uit gesmolten steen en lava, waren zij kwetsbaar voor de wapens van de leyts, en hun pijlen. Geen Van heel het leger kon de eerste uren van de slag moed opbrengen om door de magische cirkel te stappen die traaltidato nog steeds omhulde. Velen vielen onder de pijlen en projectielen van de leyts, en toen eindelijk het leger der goden door de koepel was getrokken troffen zij de leyts allen verzameld aan, klaar voor de slag, en beter bewapend dan de crins, omwille van hun snelle technische vooruitgang. Velen van het leger van de goden sneuvelden, en hoewel ook de leyts hevige verliezen leden, door de snelheid en woede van de ferocius, toch wonnen zij vlug terrein op de crins, en sloegen hen terug tot in het water, juist achter de magische koepel. Daarop verloor het leger van de goden hun moed, en wanhoop kwam over de gelederen, toen de leyts een laatste aanval inzetten. Zo eindigde na vele uren van wanhopige strijd de slag van traaltidato, zoals die later in liederen werd genoemd, en liefkozend bij de leyts als de slag van de vrijheid bekend stond. Nu waren de goden eens te meer verbaasd, en zij verweten henzelf dat zij de leyts onderschat hadden, en trokken zich in schaamte terug in hun paleizen. Al wat over was van het leger van de goden trok terug naar zijn woonplaatsen, en vele gezinnen bleven vaderloos achter. Nu echter moest er opnieuw naar een oplossing gezocht worden voor het overbevolkingprobleem, want hoewel er nu velen gestorven waren, sommigen in de oorlog, maar ook velen van verdriet om de gevallenen, toch zouden er na een paar jaren weer teveel bewoners zijn, en de goden wilden tot elke prijs nog zo een afslachting uit de weg gaan. Dus probeerden zij nu de aardbevingen en stormen in de buitenste regio’s van traaltidato tot rust te brengen. Hiervoor vroegen zij de Ferocius en de Fluvissan om hun te helpen, sinds zij zich het meest thuis voelden in water en lucht. De Ferocius brachten alle stormen samen op 1 plaats, in een gigantische draaikolk in de andere zijde van de wereld. Daar stormde het nu altijd, en steeds heviger en heviger, want alle stormen waren daar samengebracht en bleven zich maar vermenigvuldigen. De fluvissan maakten de scheuren op de bodem van de oceaan dicht door ze naar elkaar toe te trekken. Zo bleven de aardbevingen ook grotendeels weg uit de buitenste regio’s. Nu de buitenste regionen gezuiverd waren konden de crins ook hierheen trekken, en de Fluvissan en Ferocius verlieten de montes duodecil en vertrokken naar de buitenste regionen, en de chrispian bevolkten van toen af de 12 bergen en bewaakten het paleis van Vitagion. Nu dat probleem opgelost was hadden de goden eindelijk tijd om uit te rusten en alle zorgen te vergeten.
De leyts echter, geen idee van de plannen van de goden met de buitenste regio’s, besloten om al hun strijdkrachten in het zuiden te houden, kort bij het paleis van Mortiotis, om klaar te zijn voor een eventuele aanval van de crins.

Zo getijde de wereld nog lange tijd, en alles ging weer harmonieus, nu de Fluvissan, Ferocius en Chrispian genoeg plaats en vrijheid hadden om een bestaan op te bouwen. De leyts, omwille van hun ongewone levenswijze, boekten al zeer snel enorme vooruitgang op de crins, die meer hielden van luieren en van het leven genieten, terwijl de leyts alles in het teken van vooruitgang stelden. Grote steden begonnen te verschijnen in het zuiden van traaltidato, machines en grote stinkende rivieren teelden welig op het eens zo mooie continent. Nu Vitagion en Creaster niets meer om doen hadden, begonnen zij zich te vervelen, en steeds meer dwaalden hun gedachten af naar traaltidato en het land dat zij eens hoopten te bewandelen, en dat voor dat doel geschapen was. Nu besloot Vitagion traaltidato te bezoeken, onopgemerkt door de leyts, en hij trok door de wolken naar het noorden van het continent, en daalde daar af, en wandelde lange tijd door de onbevuilde weiden en bossen van het grote land. Nu was zijn hart zo vervuld van liefde en eerbied voor deze nieuwe ervaring dat hij Creaster bezocht in zijn kasteel en hem uitnodigde om mee te gaan naar het land. Men kon hen getweeën daar vaak zien wandelen, onbezorgd pratend over de lotgevallen van hun wereld en zijn bewoners. Toch ontbrak er nog 1 ding aan deze perfecte wereld, zoals zij daar in hun eenzaamheid opmerkten. Zij verlangden allebei naar een levensgemalin, om hun verdere godendom mee door te brengen. Zodoende schiep Vitagion in zijn paleis twee beeldschone vrouwen, die de namen Elajna en Igmin meekregen. Elajna huwde Vitagion en trok in in zijn paleis onder de zee. Igmin ging met Creaster mee, en kreeg de bijnaam vrouwe van de hemel, en zetelde naast haar gemaal op een wolkentroon. Zo kreeg Phareion weer een evenwicht, dat gedurende duizend jaren niet doorbroken zou worden. Toch gebeurde er na die duizend jaren iets dat de hele wereld zou gedenken. Elajna en Vitagion kregen een zoon, Nogimis, die na een grote, liefdevolle opvoeding van zijn ouders huwde met een telg van de Chrispian. Tiren was haar naam, een grote heerseres onder haar volk, nu gelukkig gehuwd met Nogimis. Ook Creaster en Igmin werden gezegend met het ouderschap, ongeveer rond dezelfde tijd als het andere godenpaar, en hun dochter werd Inia genoemd, prinses der hemelfiguren, en zij verkoos een telg van de Ferocius om met haar een huwelijk door te brengen. Nin werd hij genoemd, een afkorting van Nin-Erogius-Nimen, naar zijn vader.
De jonge paren verspilden niet zoveel tijd als hun ouders en reeds na een jaar werden er in beide gezinnen kinderen verwacht. Tiren baarde een zoon, die zij ook Nogimis noemde, uit liefde voor haar echtgenoot. De zoon van Inia noemde zij Erogius, naar zijn grootvader.
Hier was echter de kink in de kabel. De zoon van Tiren scheen getroffen door een vreemde ziekte, die van sterfelijkheid, en Erogius, de Hemelzoon, was sneller, en beter in vele dingen dan zijn ouders. De Beide koppels baarden nog een kind, en weer waren beide kinderen van hetzelfde geslacht, vrouwelijk ditmaal. Nu echter was het kind van De hemelgoden getroffen met sterfelijkheid. Inian, de dochter van de Godin Der Hemelfiguren, werd zij genoemd.
Deze keer was het ander godenpaar meer gezegend, want zij zetten een dochter op de wereld zoals men er nooit meer een zou aanschouwen onder de zon. Want ook zij, Mira, die in latere gedichten herdacht zou worden als de gezegende,was , net als Erogius, onsterfelijk, en overtrof haar ouders in vele opzichten. Nu besloten de ouders hun kinderen vrij te laten in de wereld. En Mira Huwde Erogius, En zij gingen wonen in het noorden van Traaltidato, op een hoge bergtop, in het Oosten van de Grote noordelijke bergketen, die een overblijfsel was van de komeet. Nogimis, de zoon van Tiren, huwde Inian, dochter van Inia, en zij vestigden zich op de westelijke uitlopers van de bergketen.


eindelijk door het saaie gedeelte geraakt? Dan komt hier een wel erg korte samenvatting van de volgende duizenden jaren:

Uit het onsterfelijke koppel ontstonden natuurlijk de elfen, en in het westen tierden de mensen welig. Toen echter de bergen kouder werden en het dal in het noorden aanlokkelijk leek, daalden de mensen af naar beneden, en namen land in dat eens door de elfen bewoond werd. De grote woestijnen in het midden van de land werden in beslag genomen en de Azracs tierden er welig. De oostelijke bergen, gemaakt uit zachte rots, werden bewoond door kleinere mensen, die al gauw evolueerden in de dwergen en zich in de donkere grotten terugtrokken. De Elfen zagen dit met lede ogen aan en sommigen kwamen hiertegen in opstand, toen de mensen ook de noordelijke wouden, woonplaatsen van de laatste elfen, binnentrokken. Een ras van Witte en Donkere elfen vormden zich, en de donkeren vochten tegen de mensen, en de witten schaarden zich bij hun sterfelijke medewezens, en de noordelijke woestenijen werden een oorlogsgebied. De donkeren werden teruggedrongen naar het zuiden en vonden steun bij de leyts. De mensen bevolkten nu het noorden en midden van de planeet, en de elfen in de noordelijke bossen. De grens met het land van de Leyts werd nu bewaakt door de donkere elfen, die de mensen niet moesten hebben. De Donkere elfen verworven enorme vooruitgang van de leyts, en zijn kwamen dichterbij wonen. en uit de lievelingen van de leyts ontstonden de donkersten der elfen, de Orks, die in het zuiden bij de leyts woonden. Een paar duizend jaar later maken de leyts plannen om de noordelijke landen in te nemen en de wereldheersers te worden. Zij proberen de Rolegus, wezens van de aarde, terug wakker te maken om hen te gebruiken als een enorm sterk leger tegen de elfen en mensen van het noorden. Zij bezaten echter niet meer de magie of kennis om dit te doen en daarom bouwden zij in de valleien waar de rolegus te slapen waren gelegd laboratoria, waar zij allerlei experimenten deden om de beste soldaten te bouwen voor hun leger. één van deze experimenten betreft het kruisen van de donkere elfen met de draken uit het noorden, die eens de meteoor bevolkten die op de planeet werd geworpen. Uit deze experimenten ontstaan de elite-soldaten van de donkere elfen, de Drakensoort CCD, naar hun kenmerkende rugtatoeages en wervels die de vleugels bijeenhielden. Cyrano is één van deze drakensoort ccd leden en wordt erop uitgezonden naar het noorden om de bewegingen van de elfen in het oog te houden. Onderweg ontmoet hij waylander in een herberg van de donkere elfen. Als balling uit de landen van de azracs, wil hij graag meegaan met cyrano om de elfen te bespieden en de oorlog naar hun hand te zetten. Samen trekken ze door het zudierland, en op een dag komen ze aan de randen van de wouden in het noorden. Zeven heuvels strekken zich voor hun uit en enkel deze beletten hen nog de toegang tot het woud, en de grootste spionage actie van hun leven. Cyrano en Waylander komen aan in de laatste menselijke herberg alvorens de elfenbossen te betreden. In deze herberg begint hun grote avontuur pas echt.

KARAKTERBESCHRIJVING VAN CYRANO EN WAYLANDER:
Cyrano: zoals hierboven staat beschreven is hij een kruising van donkere elf en draak. Hij wordt eropuit gezonden om de elfen in het oog te houden. Waylander is een Spawnrift (solide bijwerking van magie) die als buitenstaander de wereld rondtrekt en ongeveer alle gebieden op de planeet kent. Hij is een kruising van een bok en een mens en trekt samen met Cyrano erop uit om de elfen in het oog te houden.

zoals gezegd komen zij 's avonds laat aan in een mensenherberg aan de rand van het woud, waar al heel wat gasten aanwezig zijn.



Het liep tegen schemerduister aan... de mensen in de herberg waren (zoals altijd) diep in gesprek over verschillende geruchten die zich de ronde deden.
De zware eikenhouten deur zwaaide langzaam open en twee in mantels gehulde figuren stapten binnen. De een zag eruit als een groot uitgevallen mens en droeg een lichte mantel die de omtrek van zijn lichaam verborg, de ander liep een beetje raar en droeg een zware, zwarte mantel. Hun gezichten werden door de kappen aan het licht ontrokken, alleen was bij de man met de zware mantel de mond te zien omdat die vooruit stak, samen met een blauwe geiten sik.
De mensen in de herberg keken op naar de groot uitgevallen man, blijkbaar de andere man negerend. De twee mannen gingen aan een tafel zitten en begonnen een gesprek met elkaar, op een fluisterende toon. De grotere gestalte sprak het meest, maar als de ander sprak was het een, grimmig, krakend geluid. 'hebben we dan geen hulp nodig? mischien wel, de mensen hier hebben nogal een afkeur voor elven, maar kunnen we ze wel vertrouwen? We moeten ze in de gaten houden, dat kunnen we mischien het beste met zijn tween doen...' De krakende stem sprak als laatste. Verscheidene mensen konden de krakende stem horen...

Stilletjes hoopten de twee dat een mens zich zou aanbieden. Het zou al moeilijk genoeg worden in het woud te raken, en dan zonder gids verdergaan...

Aruth hoorde het gesprek over de anti-elfse beweging.
Hij keerde zich om en sprak iemand willekeurig van dit groepje aan.
'Meneer, ik hoorde over u elvenhaat. Kunt u mij wat uitleggen awnt ik deel u haat.' zei Aruth. Cyrano keek naar Waylander, zijn kap ging op en neer als een soort van knikken. 'Is uw haat groot genoeg om een lange tijd met ons mee te trekken en onze orders op te volgen zonder tegenspraak?' 'Mijn haat wegens elven is bijna onovertroffen maar orders opvoeren is niet mijn sterkste kant, wat dacht u van een scheiding van de machten?' zei Aruth. Hij had nooit orders opgevoerd en hij was ook niet van plan dat ooit te doen.
De ondervraging ging verder: 'Weet u iets van het omliggende gebied?' 'Ik ken het gebied redelijk, ik heb er vaak gemarcheerd met mijn ex-compagnie en ik weet waar een aantal elven zitten.' zei Aruth. Waylander en Cyrano maakten een paar onduidelijke gebaren naar elkaar, Cyrano sprak verder: 'Wij kunnen u denk ik wel gebruiken. We vertrekken zo snel mogelijk, de details hoort u later, die kunnen we hier niet bespreken.'
Cyrano en waylander stonden op uit hun stoel, en begeleidden Aruth naar buiten.
Cyrano had besloten om maar meteen op weg te gaan, zonder te wachten op nog meer anderen. Alleen hij wist dat ze achtervolgd werden door een compagnie elfen, die hen ten westen van de 7 heuvels opgemerkt hadden. Hij had ze gezien uit de lucht, en waylander er niets van verteld. Snelheid en verassing was nu hun grootste troef. Hij kon enkel hopen dat ze het spoor bijster zouden raken in het bos, of anders zou het er niet zo rooskleurig uitzien voor de bokman en de nieuwe compagnon, die niet konden vliegen.
Deranthiel keek naar de horizon, 'Wat zijn uw orders? We vertrekken morgen met het eerste licht, ze hebben halt gehouden in een herberg, zet binnen een halve mijl kamp op.' Deranthiel en zijn compagnie zaten nu al een paar dagen achter twee personen aan die een mogelijke bedreiging vormden. Ze kwamen aan bij een klein stukje bos, 'Hier zetten we een kamp op! Geen tenten!' Ze moesten snel kunnen vertrekken. De nacht was rustig, het zacht knetterende kampvuur bracht Deranthiel in een diepe slaap...
Wat Cyrano, Waylander en Aruth echter niet wisten, was dat hun gesprek in de herberg was gevolgd door een vierde persoon die hen ook op een kleine afstand had gevolgd. Cyrano had haar wel opgemerkt, maar vermoedde dat ze bij de achtervolgers hoorde en schonk er verder geen aandacht aan. Lunae hoorde echter niet bij de achtervolgers, integendeel zelfs: ze had een grondige hekel aan elfen en wou hen helpen. Maar toch had ze besloten er niet direct naar toe te gaan en eerst te kijken wat hun plannen waren ... Maar ook zij had de achtervolgers opgemerkt en uiteindelijk was ze er van overtuigd geraakt dat de tijd drong, en dat ze veiliger zou zijn als ze met het groepje meereisde. Na een tijdje stapte ze gewoon tussen de bomen door tot ze vlak bij de anderen kwam. "Euh, hallo" Ondanks haar goede voorbereidingen wist ze toch even niet wat zeggen. "Wie moet je?" werd haar onvriendelijk toegesnauwd. "Wel, ik heb het gesprek in de herberg gevolgd, en ik deel uw haat tegen de elfen. Omdat ik u echter niet kende besloot ik u eerst een tijdje te volgen, maar nu zou ik me graag bij u aansluiten, het word me te onveilig."
De nieuwe reisgenoot kwam ietwat op een raar tijdstip, toch zeker niet ongelegen. Meer is beter in dergelijke situaties, en dus nadat ze zich ervan zeker hadden gemaakt dat ze niet bij de elfen hoorden waren ze bereid naar haar te luisteren. "Onveilig? hoe onveilig? wat onveilig?" vroeg Cyrano, die dacht dat zij niks afwist van de elfen die hen op de hielen zaten. Wist hij veel dat zei de telepathie beheerste die de woestijnmensen in het oosten haar geleerd hadden. "Er zit een groep elfen op nauwelijks 10 mijl in westelijke richting, en ze komen vlug naderbij. Ze volgen jullie al een tijdje.Nu hebben ze kamp opgeslagen, dus nu moeten we meteen vertrekken." antwoordde de vreemde vrouw en wou net op weg gaan toen Waylander vroeg:"Welke elfen? hoe kan jij nu weten of er elfen achter ons aanzitten. Als dat zo was had Cyrano hen wel gezien, dagen geleden al. ik geloof er niks van. Wat zit hierachter juffie?" "Eum, Way," stamelde Cyrano," Da's niet helemaal correct. Ik wist het al zo'n twee dagen, maar omdat ze zo ver achterop raakten besloot ik er niks over te zeggen. Eens in het bos zouden we ze wel afschudden dacht ik. Ik weet dat je ze liever zou gaan uitschakelen en dan pas onze missie volbrengen, maar ik wil zo vlug mogelijk door. Daarom zei ik niks." "Nou goed dan, Cyrano. Wat je zegt! we zouden ze neer moeten halen, die klootzakken, maar onze missie gaat voor. En daarom mag je mee, juffie. We zullen al onze krachten nodig hebben als we levend uit dat woud willen raken, en nu opschieten!"
Dus vertrok het groepje en in snel tempo marcheerden ze door. Na een hele tijd raakten ze toch uitgeput en ze besloten halt te houden. "We zitten al een heel eind voor, we kunnen beter stoppen en goed uitgerust daarna voortgaan, dan nu op een heel laag tempo voortstrompelen" besliste Waylander. Iedereen was het er mee eens en ze begonnen een kamp op te stellen. "Wie zorgt voor wat? Ik kan zorgen voor eten, als jullie dan al slaapplaatsen maken, maar geen vuur" nam Lunae de leiding op zich. Waylander, die het nog steeds niet helemaal vertrouwde wou protesteren, maar toen Cyrano knikte dat ze gelijk had liet hij het ook maar zo. "Ik hou de eerste wacht wel" stelde hij voor, nadat ze gegeten hadden. "Ok, maar na een tijdje wek je een van ons, zodat iedereen heeft kunnen rusten want we blijven niet lang" Nadat iedereen had kunnen rusten vertrokken ze weer. Cyrano merkte dat hun voorsprong op de elfen was verkleind maar nog steeds vrij groot was en als ze op dit tempo door bleven gaan, die zelfs nog zou vergroten. Tijdens het reizen sprak Waylander Lunea aan, 'Als je met ons meereist, zou ik je maar gedeisd houden; Ik heb het niet zo op mensen die mij commanderen'...
Neffa draaide zich voorzichtig om op de dikke tak die haar schuilplaats was. In de verte hoorde ze geluiden van reizigers. Ze trok haar kleren recht, ging vanuit haar slaaphouding in hurkhouding op de tak zitten en wachtte af, met haar boog in de hand, pijl in de aanslag. Nog even hield ze haar hand van de pijl af, en duwde een puntig oor terug onder de sjaal die haar haren bijeen hield.
Lunae knikte, maar het was duidelijk aan haar gezicht te zien dat ze er niets van meende. Plots duwde ze hem weg, zodat hij bijna viel. "Wat denk je wel dat jij aan het doen bent?" wou hij woedend tegen haar uitvliegen tot er een pijl vloog op precies de plek waar een halve minuut geleden zijn hart nog had gezeten. "Daarom dus" verklaarde Lunae zich, maar Waylander was nog altijd kwaad. "Je had me wel op een andere manier kunnen waarschuwen" raasde hij door. "Jullie zouden beter kunnen kijken waar die pijl vandaan kwam in plaats van daar te staan bekvechten," herinnerde Cyrano hen. Ondertussen had Aruth (schrijft hij nog mee?) al de bomen voor hun bestudeerd en besloten dat er zonet iemand ingezeten had die nu al gevlucht was, maar die hen de komende dagen nog last zou kunnen bezorgen. Lunae en Waylander keken elkaar nog eens woedend aan en het was duidelijk dat hun ruzie nog niet voorbij was. Nu deden ze echter allebei weer gewoon, naast het feit dat ze elkaar zoveel mogelijk probeerden te negeren, wat natuurlijk nog al moeilijk was aangezien ze in zo'n klein groepje reisden.
Cyrano nam de pijl op en bestudeerde hem. "Een elfenpijl, zoals te verwachten," zei hij. "Maar dat betekent misschien dat ze jou hebben gezien" Kwam Waylander tussen, "Dat zou catastrofaal zijn!"
"Geen angst, ik had mijn cape toch op; Geen sprake van dat die elf of elfen gezien hebben dat ik vleugels heb, of zelfs dat ik geen mens ben." Ze besloten vlug door te trekken, en Waylander en Lunae liepen elk aan weerszijden van Cyrano en Aruth, die tegen elkaar glimlachten. Twee autoritaire kameraden aan hun zijde en een geheimzinnige boogschutter in het bos. Wat wil je nog meer op avontuur? Misschien een goed maal en minder opgejaagdheid, maar daar was nu eenmaal geen tijd voor. Lunae merkte al gauw op dat door de elfenboogschutter de andere elfen weer een heel stuk dichterbij waren gekomen en al aan de rand van het bos stonden. En aangezien elfen sneller in het bos vooruitkomen dan twee mensen, een bokman en gevleugelde soldaat, liepen ze in vlugge pas dieper het bos in. Wisten zij veel dat neffalathiel reeds op hen wachtte in haar hutje naast de weg...
Neffa verwachtte niet dat de reizigers ver van haar hutje zouden belanden, als ze liepen zoals ze dacht. Om het geluk wat meer naar haar hand te zetten stookte ze de haard wat hoger op en liet de lucht van het vlees dat boven het vuur hing door het gat van de schoorsteen verdwijnen. Ze moest ze spreken, daarom schoot ze de pijl af. Even leek het alsof ze ze hoorde, daar buiten. Even. 'De wind. Stomme mensen... Als die ooit nog eens leren om door te lopen...' Mompelde ze kwaad, terwijl ze het vlees draaide. De hut was donker en leeg, op een paar kapotte meubelstukken na. Met de brokstukken had ze het vuur aangelegd, op de meest complete stoel had ze haar spullen neergegooid, de boog, de koker pijlen en haar zwaard. Drie dolken hield ze bij zich. 'Voor het geval dat.' Zoals haar vader altijd zei. Haar vader. De klootzak. Die door de Goden vergeten elf.
Na een tijdje kwam het groepje in de buurt van het huisje en ze besloten te gaan kijken. Als ze het wat voorzichtig aan pakten kon er immers niets misgaan. Ondanks het feit dat Waylander en Lunae elkaar nog steeds niet aankeken konden ze toch een plan opstellen. Aruth zou eerst naar het huisje gaan en teken doen als het veilig was. Als het niet veilig zou zijn konden de anderen nog altijd te hulp schieten, maar dan kwamen ze toch niet als een bende aan, die veel sneller gewantrouwd zou worden. Aruth ging dus voor en na een tijdje gaf hij teken dat ze mochten komen. Cyrano ging voor met achter hem Lunae en Waylander die nog altijd pogingen deden zover mogelijk uit elkaars buurt te blijven, wat vrij moeilijk was aangezien het de bedoeling was dat ze naast elkaar liepen. Toen ze in het hutje aankwamen merkten ze dat Aruth al in een heel gesprek zat met een ... elf. Cyrano, Waylander en Lunae stonden zo verbaasd te kijken, dat de twee laatsten zelfs geen rekening meer hielden met hun ruzie. "Wat ben jij aan het doen?" wist Cyrano nog net uit te brengen. "Dit is Neffa, en ondanks het feit dat ze zelf een elf is heeft ze een grondige hekel aan haar volk. Ze wil ons helpen." Lunae knikte, maar Cyrano en Waylander bleven aarzelend in het deurgat staan. "Zouden jullie binnen willen komen en de deur dicht doen? Het word hier koud." vroeg de elf zachtjes. "Ik ben Lunae, dat is Cyrano en hij daar heet Waylander" stelde Lunae hun voor. "Jullie kunnen hier wel overnachten, het is toch al bijna donker en dan trekken elfen niet verder." bood Neffa aan. "Hoe weten we dat het geen valstrik is? Straks staat hier misschien een heel leger elfen." Waylander en Cyrano vertrouwden het nog niet helemaal. "Ze liegt niet" zei Lunae. Cyrano vermoedde dat ze dat op dezelfde manier te weten was gekomen als hoe ze wist dat er een leger elfen achter hen aanzat en hij stond bijna op het punt om toe te geven, maar Waylander vertrouwde ook Lunae niet en weigerde: "Als jij dat zegt is er nog meer kans dat het een valstrik is, we trekken verder." "Maar ...," begon Lunae. Ze werd echter onderbroken door Aruth: "Ze heeft gelijk, we hebben dringend een veilige slaapplaats nodig want anders kunnen we die elfen nooit voorblijven." Waylander besefte dat hij eigenlijk wel gelijk had, maar was toch nog niet overtuigd. "Als het nodig is kunnen we echt wel wat elfen aan," gaf Cyrano toe. Daar moest Waylander wel mee instemmen en dus werd besloten dat ze hier zouden overnachten.
Het was een rustige nacht en iedereen was weer fit die ochtend. Ze moesten nu op weg en na een snel ontbijt vertrokken ze. Nadat ze een tijdje hadden gelopen zag Neffa met haar elvenogen haar volk op een afstand...Niemand wist wat ze nu moesten doen. "Dat zijn ze! Daar is mijn volk!" Neffa voelde haar hart in haar keel bonzen, maar liet niets merken van haar zenuwen. "We moeten ze ontwijken!" Ze leidde de anderen dieper het bos in.
Ze liepen verder en verder. Opeens hoorde Waylander wat verderop in de bosjes lopen. Aruth trok zijn wapens maar het enige wat uit de bosjes kwam was een eekhoorn. Bekomen van de schrik sjokten het groepje voorzichtig verder.
Ze liepen verder tegen hoge snelheid. Luna voelde dat zowel de groep elfen die ze pas hadden opgemerkt als de achtervolgers snel dichterbij kwamen. Daarom riep ze dat ze naar links moesten afslaan. Ze liepen en liepen, en al gauw waren ze verdwaald in het bos. Zelfs waylander met zijn instincten wist niet meer waar ze naartoe moesten, en de elf neffa kon niets anders bedenken dan in een boom te kruipen om te kijken waar ze waren. Maar ook zij wist niet waar ze waren ;In dit deel van het bos waagde niemand zich. Het werd beweerd betoverd te zijn door de tovenaars van lang geleden. Wanhopig zochten ze voort...
De groep liep verder en verder. Toen was Waylander het zat, hij draaide zich naar de hele groep, 'Wat heeft dit nu voor zin, we hebben geen flauw idee waar we heen lopen, dadelijk lopen we nog recht op die elven af!' Niemand reageerde, 'Wat hebben jullie nou? We moeten een plan verzinnen en wel nu! De enge reden dat jullie met Cyrano en mij mee mogen reizen is omdat we wel wat hulp kunnen gebruiken, en ik noem een groep die ons niet eens gehoorzaamt niet echt hulp!' De groep stapte langzaam achteruit, Waylander begreep er echt niets van. 'Wat is er nou?' Een enorme houten knuppel ramde Waylander en smeet hem tegen een boom. Een Enorme woud trol stormde op Cyrano af, die voor de rest stond. Ze trokken snel hun wapens en sprongen op de trol af...
"Stomme stinktrol!" schold Neffa in haar eigen taal. Ze zag Waylander onzacht landen op de harde bosgrond, en beet op haar lip van gedeelde pijn. "Omsingelen! Zo'n kreng is te sterk om solo af te maken, we moeten hem verwarren!" schreeuwde ze tegen de rest. De trol stootte een harde grommende kreun uit, die haar oren deed suizen, en hief zijn grote knuppel.
Cyrano ontweek de trol behendig, sleurde de pijl en boog uit neffa's handen, en steeg op met twee vleugelslagen en bleef onbeweeglijk in del ucht hangen. Hij spande de boog en begon te schieten op de trol, met telkens twee pijlen tegelijkertijd. Toen er 6 pijlen rustten in de rug van de trol, en deze zich volledig bezighield met de vliegende boosdoener, begonnen de andere langzaam in beweging te komen. Lunae nam haar rugzak en haalde er een vreemd poeder uit. Neffa nam de knots van de rug van waylander en maakte zich klaar om de trol een dikke teen te meppen, net toen lunae het poeder uitstrooide en de trol ter plekke versteende. "Zonnepoeder" zei ze ter uitleg, "van de zonnebloemen aan de zuidkant van de Westvelden." Cyrano daalde neer, bedankte neffa voor de pijl en boog, en probeerde waylander wakker te krijgen. Deze bleef echter uitgeteld op de grond neerliggen...
Neffa zuchtte opgelucht toen Cyrano haar de boog en pijlen weer terug gaf. Toen begon ze zich zorgen te maken over Waylander. Hij lag nog steeds uitgeteld op de grond, en ondanks Cyrano's pogingen gaf hij geen krimp. Achter hem stond de boom met een afgebroken tak. Neffa keek eens goed naar de boom. Bewoog hij nou?
Waylander bleef bewustenloos liggen. Hij zakte verder en verder weg. De vier stonden gebogen over het levenloze lichaam van de bokman, en stilletjes aan begonnen ze te vrezen dat het kleine heftige entje dat zojuist nog had geschreeuwd dat hij geen vriend was van de metgezellen, wel eens zijn laatste ademstoot had uitgeteld door de trol die nu versteend op 1 been stond naast de rand van de open plek. Rondom sloten de ranken van de bomen zich. Donkerder werd de hemel, en voordat ze beseften wat er gebeurd was, zaten de 4 op hun hurken over hun kameraad gebogen, zonder enige vorm van zonlicht dat door de takkenbos boven hen drong, en omgeven door de bomen rondom was elke vorm van vluchten uitgesloten.

Ver weg hoorde waylander de elfenkoning lachen, en toen werd alles donker...
...Waylander kwam bij op dezelfde plek waar hij was neergekomen. Hij had geen flauw idee hoelang hij daar had gelegen. Hij keek naar zijn sik, die was nauwelijks gegroeid, 'nooit langer dan een dag dus,' dacht hij hard op. Maar waar was de rest? Hij pakte zijn water zak en waste zijn gezicht. Hij probeerde alles weer op een rijtje te zetten. Oke, hij was neergeslagen door de trol en raakte iets harts -hoogst waarschijnlijk de boom waar hij tegenaanzat- en raakte bewusteloos, daarna hoorde hij een stem... Elfs! Het kon niets anders zijn, tenzij iemand hier een dialect uit het oosten sprak, wat heel onwaarschijnlijk is. 'Waar zijn mijn spullen?' hij dacht nog steeds hard op. Zijn Goedendag zat nog steeds vast aan zijn riem, zijn mantel lag in de bosjes. 'Wat nu?' Hij moest Cyrano terug vinden, maar waar zou die zijn? Zijn enige aanwijzing was nu die elven stem, 'zouden de elfen hem hebben? Dat moet wel, vervloek die elfen!' Waylander was nog steeds een beetje in de war. 'Elfen, waar zaten die ook alweer, ik dacht ten oosten van dit bos, maar waar is het oosten?' Waylander zocht een boom, hij bekeek verschillenden tot hij er één had gevonden die aan zijn eisen voldeed. 'De zon staat hier in het zuiden dus mos groeit altijd aan de zuidkant van bomen, dus dan is daar het oosten.' Hij keek een richting in, en maakte aanstalten om te vertrekken. 'Wacht eens, groeide mos niet altijd van het licht af? Dan is dus daar het oosten' Hij liep de andere kant in...
Neffa werd wakker in een wirwar van ranken en met een knallende koppijn. Ze zag niets, en ze kon zich nauwelijks bewegen. Maar, heel zachtjes, hoorde ze wel het ademhalen van een van haar metgezellen. Maar door een rank die strak om haar keel zat, kon ze niets anders uitbrengen dan een rochelend "Hallo?"
Cyrano was al een tijdje wakker en zat naast de rest op de grond. Ze zaten nog steeds ingesloten door de hoge bomen uit het bos, hoewel hij het gevoel had dat ze al lang niet meer in het bos waren. De lucht was minder vochtig en het was later op de dag dan sinds wanneer ze allen in slaap waren gevallen. Bovendien had hij opgemerkt dat waylander er niet meer was, terwijl hij toch onder hen had gelegen voor hun verplaatsing. Hij had een vaag vermoeden dat ze zelfs dichter bij de elfen waren dan ze ooit van plan waren geweest, omdat hij namelijk even ervoor een vaag geschuiffel had gehoord en vage stemmen. Toen dook neffa naast hem op met haar versufte hallo, en werd hij abrupt uit zijn gedachten gehaald. Hun hoop rustte nu op waylander...
Waylander dacht na over hoe hij Cyrano zou bevrijden, dat zou niet makkelijk worden. Hoe ging hij het aanpakken? Hij kon moeilijk de elven bestormen zoals hij dat gewend was, dat was logisch. Maar wat kon hij dan doen? Hij liep met gebogen hoofd verder, verzonken in gedachten. Hij zag opeens voetsporen in het pad. Meestal viel hem dit niet op omdat ze geen betekenis hadden, maar deze waren dieper, ze moesten van een soort zwaarder mens zijn geweest, maar naar zijn kennis waren er hier alleen maar elven, en natuurlijk de bandieten en struikrovers die je hier tegenkwam. Maar deze waren enorm diep, zelfs voor een zeer zwaargebouwde struikrover. Ze waren wel menselijk, dat wel. Waylander besloot de sporen te volgen, ze sloegen al snel weer van het pad af, maar toch volgde waylander ze.
De sporen bleven duidelijk zichtbaar in de bosgrond, en Waylander hoorde het dat mensen (of dingen) hem aan het besluipen waren. De sporen kwamen uit in een open plek, een enorm grote man zat in het midden...
Lunae ontwaakte nu ook langzaam. "Wat is er aan de hand?" was het eerste wat zei uit kon brengen. "We zitten gevangen" merkte Cyrano op. "Dat had ik nog niet door" Net als de anderen was ook zei helemaal door ranken omwikkeld en kon ze zich bijna niet bewegen."Maar door wie zijn we gevangen. En belangrijker: hoe ontsnappen we?" "Ik denk dat onze enige hoop Waylander is" mompelde Aruth die ondertussen ook wakker was geworden. "Door hem gered moeten worden?" Lunae staarde hem vol afkeer aan. Het feit dat ze ruzie hadden was de laatste tijd niet echt gemerkt omdat ze elkaar zo veel mogelijk negeerden maar nu merkten ze dus dat Lunae hem nog altijd niet vergeven had. "Het heeft nu echt niet veel zin om kwaad te zijn, hij is onze enige kans op overleven" probeerde Neffa Lunae wat te kalmeren. "We moeten hier toch zelf ook uit kunnen komen?" Lunae gaf de hoop niet op. "Hoe?" Cyrano keek haar spottend aan. "Euh ..." Lunae begon nu ook in te zien dat de situatie er vrij hopeloos uit zag.
...Waylander keek naar de man, hij zat daar rustig een kopje soep te drinken. Als je zijn leren harnas en stalen zwaard zou negeren zou je bijna denken dat hij een monnik was. 'is dit een val ofzo?' 'Nee hoor, waarom zou dat zo zijn?' De man sprak op heldere, rustige toon. 'Nou, dan kan u net zo goed tegen uw vriend zeggen dat hij zijn boog kan laten zakken en erbij kan komen zitten.' De man voor Waylander gaf een knikje en een man met een boog kwam uit de bosjes lopen. 'Dus waarom zijn jullie hier?' 'Dat gaat u niks aan, het enige waar u zich zorgen over hoeft te maken is het feit dat wij u gaan bestelen en u dit bos hoogstwaarschijnlijk niet meer levend verlaat.' Er waren in de buurt maar twee mannen, maar er zouden zeker meer mannen bij deze twee horen. 'Ik weet iets beters: Wij twee houden een duel, zoals ik dat gewend ben. Uw vriend draagt 4 schilden. Wij vechten tegen elkaar tot het schild van 1 van ons breekt, dan pak de gene met het gebroken schild een nieuwe, en als die is gebroken heeft hij verloren. De winnaar wint de ander zijn spullen, de verliezer verliest zijn hoofd. Doet u hier aan mee? Of heeft u geen eer in uw leven?' De grote man had door dat hij werd uitgedaagt, en kon die uitdaging niet afslaan. 'Oke dan. Gregor, hier met je schilden!' Waylander en pakte zijn goedendag en 1 van de schilden, de man pakte zijn zwaard en een schild.
Waylander rende op de man af en ramde diens schild. De man stompte met zijn schild Waylander weg die op de grond viel, 1 klap van de man zijn zwaard vernietigde het hout van Waylanders zwaard. Waylander liep terug en pakte zijn tweede schild. Nu was het de man die op Waylander afsprong en waylander een krachtige trop gaf. Wayladner stond moeizaam op en voelde dat zijn lichaam de kracht van deze man niet aankon. De man sprong boven op Waylander en brak het schild van Waylander nogmaals. Waylander werd weer tegen de grond gesmakt en stond moeizaam op zijn goedendag en de grote man bracht zijn zwaard naar boven. Het zwaard suisde door de lucht en belande in het zand. Waylander was vlak voor de slag weggedoken en de grote man voelde nu Waylanders dolk in zijn nek...
Langzaam, verdomd langzaam kreeg Neffa wat bewegingsvrijheid rond haar polsen. Met een paar rukken van haar armen voelde ze dat de stengels te sterk waren om zich uit los te wrikken. Een uitstekende stekel haakte zich in haar mouw, en trok haar polsband gedeeltelijk los. Een kleine dolk die ze in haar polsband had gestoken, viel met een doffe plof op de grond. Ze vloekte luidruchtig en op een vrij ongepaste manier voor een vrouw, maar hield het in haar eigen taal. "Wat?" hoorde ze Lunae vragen. Snel legde ze de situatie uit. "Ik ben bang dat Waylander echt onze laatste hoop is." Zei Neffa met een zucht.
He hallo! Is daar iemand? hoorde ze plotseling iemand zeggen. 'Ik hoorde stemmen en... jullie zitten daar vast he. Uhmm misschien kan ik jullie helpen. Ik bedoel ik..nou weet je ik woon hier niet zo ver vandaan en...
' Hallo zeg!' hoorde Melisande ineens; als je nou eens je mond houd en ons hieruit helpt!' En weer een ander volgde, 'wat een onzin wie kan ons nou helpen, als Waylander het al niet eens kan?' En weer een ander 'Ach hou jij je mond toch eens, Waylander KAN ons heus helpen!'

Voor ze het ook maar in de gaten hadden stond er ineens een meisje, nouja meisje een jonge vrouw voor hun neus. Ze rook naar de bossen en zat helemaal onder de modder. 'Hoi ik ben Melisande. Tja ik dacht ik kom maar even hierheen aangezien ik door jullie geschreeuw niks van jullie verhalen kon verstaan. Lachend ging ze verder, jullie hadden jezelf eens moeten horen hahaha!'
Stomverbaasd keken ze elkaar aan en even was het stil. 'Ho wacht even, zei Neffa geirriteerd, wie ben je en hoe ben je hier gekomen en hou alsjeblieft op met dat irritante gedoe.'
Beteuterd keek Melisande rond. 'ik ben een bos nimf, zei ze En daardoor heb ik de mogelijkheid om me via de lucht te verplaatsen. Een glimlach vormde om haar mond en ze ging verder; en dat zonder dat iemand me kan zien'.
'Maar daar hebben wij toch niks aan?' zei iemand.
Ineens keek ze verschrokken op. 'Sssssst,’ zei ze. Zoekend keek ze om zich heen en weg was ze.
'Waar is ze? Wat gebeurt er...?' zei Lunae

Er volgde een schreeuw, een harde knal en toen was het donker en doodstil...
Neffa gromde. "Lekkere hulp weer...Laat zich opblazen voor ze ons losmaakt." Er klonk een dof gegrinnik uit de wirwar van ranken naast haar. "He! Nimf! Waar ben je?!" Schreeuwde Neffa, zich even niets aantrekkend van de tegenstrijdige gedachte dat een elf stond te schelden op een bosnimf.
De knal had ook Cyrano uit zijn gedachten opgeschrikt. Hij had proberen contact te maken met Waylander via hun mentale band, maar blijkbaar had hij zichzelf afgesloten voor enig contact, want hij kon hem niet bereiken. De nimf was onopvallend aan hem voorbijgegaan, en Glamdring besefte nu pas wat er was gebeurd tijdens zijn toestand van telepathie. Een nimf was hier geweest, hij kon het ruiken, en nu was er een elfenwachter opgedoken buiten hun gevangenis van ranken die geprobeerd had haar te doden. Bijgevolg was hij met een harde slag achteruit gevlogen, dodelijk verbrand door de vuurmagie van de nimf, en deze maakte zich op om terug binnen te komen in de rankengevangenis. Glamdring wist dit allemaal, maar zei niks, noch liet hij merken dat hij zijn boeien al los had gemaakt. Hij zou wel zien hoe het ging, en hoopte dat het onderbroken telepathisch contact met waylander niet te wijten was aan en vermoede dood van zijn vriend.
...Waylander keek over de stuik waar hij achter zat. Het elven fort was zwaar bewaakt, Op de houten muren, die eigenlijk meer rijen van bomen waren, stonden boogschutters en er stonden 2 wachters voor de voor de poort. Waylander fluisterde nerveus, 'Kom op Demor! Waar blijf je! Val dat fort nou aan!' Er klonk een hoorn van achter het fort en de boogschutters verdwenen, de poortwachters achterlatend. Waylander pakte zijn goedendag en een steen. Hij gooide de steen een stuk verder tegen de muur aan, en zoals verwacht liepen de wachters er naar toe om te kijken wat er was. Waylander sloop achter de twee aan. 'Weet je zeker dat het geen mannen van hun zijn?' 'Nee, het was deze steen.' Waylander ging geluidloos staan. 'Jongens, volgens mij is die steen van mij.' Met één slag sloeg hij allebei de elven neer. Waylander controleerde hun zakken en vond twee stokjes. Hij liep naar de poort waar een boom op was afgebeeld, de boom miste 3 takken. Waylander vloekte, 'Hoe kom ik nou binnen? de derde moet één van die boogschutters zeker bij hebben.' Waylander kalmeerde zichzelf. Hij liep op de poort op en fluisterde tegen het hout, in een taal die alle nieuwe generaties (naar zijn maten dan) zijn vergeten, maar hij nog steeds sprak. Zijn stem was erg grimmig en de meeste oudsten verstonden hem niet in deze taal, maar de muur blijkbaar wel, want de poort opende langzaam toen Waylander een stap achteruit deed. Hij kon nu duidelijk het geluid van de strijd horen...
Waylander liep door een aantal gangen door tot dat hij in een zaal kwam die vol zat met allemaal planten die dwars door elkaar groeiden, toen merkte hij pas dat er tussen de planten zaten...

Gesloten