Het Erfgoed

Speel mee in RPG-herberg De Blaffende Vis. Vreemde, grappige en angstaanjagende verhalen doen hier de ronde.

Moderator: Herbergiers

Agravain
Beheerder
Berichten: 2512
Lid geworden op: 22 apr 2004 19:15
Locatie: Omgeving Goes
Contacteer:

Ongelezen bericht door Agravain » 03 jan 2007 22:25

Deze RPG is gesloten. Indien je wilt dat deze RPG weer geopend wordt kun je contact op nemen met de herbergier via PM.
Richard Whelan had een zwaargebouwd lichaam, dat hard was van de spieren en de dikke eeltplekken op zijn handen getuigden van vele gevechten. Zijn brede schouder droeg het gewicht van een fors zwaard en een schild, aan een dik lederen tuig. Hij droeg het zonder enig teken van inspanning. Het stof op zijn jas en de modder op zijn laarzen spraken van een lange reis. Hij behoorde moe te zijn, maar was het niet. Zijn huid was bezaaid met littekens en gaf de indruk van ruw gelooid leer. Al met al een indrukwekkend figuur om rekening mee te houden.
Tenminste.
Zo zag Richard Whelan zichzelf wel eens. En droomde.

Een lichte aanraking op zijn mouw bracht hem in herinnering waar hij was en met wie.
“Welaan,” zei de man. “We moeten eens goed nadenken. We moeten een plan trekken. Het huis brandde gedeeltelijk af en wij zijn voornemens ons dierbare huis opnieuw op te bouwen.”
Hierbij keek hij zijn vrouw aan, die naast hem zat.
Ze knikte en zei: “Voorlopig mogen we met de kinderen hier in de herberg verblijven. De waard is ons goed gezind. We hebben twee ruime kamers toegedeeld gekregen.”
Een dienstertje, een jonge meid met rood piekhaar, kwam aangelopen met een kom pap, brood en vruchten.
De man en de vrouw hadden dat besteld voor hun drie.
Richard Whelan zei nu: “Het huis is niet tot op de grond toe verwoest. De muren zijn van steen en heel dik. Ook de keldergewelven zijn gespaard gebleven en hebben enkel waterschade opgelopen. Het is dus geen probleem om het opnieuw op te bouwen.”
“Volkomen juist,” reageerde de man. “Maar er is een dilemma. Ons vergaarde kapitaal is nog verre van toereikend. Wat ik wilde voorstellen…..”
Ze praatten nog een hele tijd.
Tegen de tijd dat het nagerecht werd opgediend was het licht. De zon kwam op.
“Goed,” zei Richard Whelan, terwijl hij suiker in een schuimend drankje schepte. “Dat is dan afgesproken.”
Het was behaaglijk warm in de herberg. Aan dikke stutbalken langs de wanden hingen aangestoken lantaarns. Het dienstertje was bezig deze te doven. Er lagen ook al menu’s op de tafels.
In de hoek van de gelagkamer zaten drie reizigers. Rond de dertig gasten hadden hun onderdak gezocht in de herberg. De gasten kwamen in groepjes van twee of drie de gelagkamer binnen. Sommige zochten de gezelligheid op van het centrale haardvuur. Anderen verkozen het om zich in een hoek af te zonderen.
Langzaam kwam de herberg tot leven.
Na een lange nacht in de bossen had Jan Spaak dorst. Het gebeurde niet vaak dat hij 's nachts jaagde maar dit keer moest het wel, en er zouden nog meer pogingen volgen. Hij liep langs de Blaffende Vis, en keek naar binnen door de ramen. De altijd gemoedelijke Thomas was weer druk in de weer. Hij besloot ook maar eens een kijkje te nemen. Hij liep naar binnen en liet zijn cape ophangen. Hij groette iedereen die hem bekend voorkwam en dat waren er nogal wat, dit was een van de drukste momenten vroeg op de dag en eigenlijk zaten er elke dag dezelfde mensen, buiten de wisselende gasten om dan. Eenmaal bij de bar groette hij Thomas, “Hey Thomas, doe mij maar een van je beste bieren.” Thomas keek de bekende vriendelijk aan en liep naar de tap. Jan zette zich neer op de kruk maar toen hij eenmaal zat ving hij gesprekken op over een afgebrand huis. Dan was het dus toch gebeurd wat ik in de bossen had gezien. Hij keek wie dat zei en zag Richard Whelan met de mensen praten. Het is voor hen te hopen dat hij het voor een vriendenprijsje wil opknappen. Dacht Jan. Thomas kwam terug met zijn pint en vroeg hem hoe zijn nacht was verlopen. “Rustig, al het wild was een beetje weggelopen.” Begon Jan, “Maar ik zag ineens een beer dus ik er achteraan en, ik heb wel het hele bos afgelopen geloof ik, ik liep om de beer heen en overviel hem van boven. Een hevig gevecht volgde wat ik gewonnen heb. Ik kon lekker vangen voor de beer.” Een groepje koters had zich om de verteller geschaard.
"Hey, waar is de dichtst bijzijnde herberg," schreeuwde Tim van zijn paard naar de poortwachter. Deze keek hem nors aan. "Poort door, en meteen rechts," antwoordde de man, "door rijden graag, niet de poort blokkeren." Tim haalde zijn schouders op, hij had nauwelijks ingehouden tijdens zijn vraag, "het zal wel aan het slechte humeur van de wachter liggen," bedacht hij zich. Zijn humeur daarentegen was uitstekend. "Het leven is mooi,", schoot het door zijn hoofd, terwijl hij op zijn volle beurs klopte. Na een lange karavaantocht had hij hier zijn gage ontvangen. De karavaan zou voorlopig niet verder trekken, dus had hij besloten om ontslag te nemen en eerst maar eens langs een herberg te gaan om weer wat fatsoenlijk bier te proeven.

"Je kunt beter doorgaan naar "De Blaffende Vis" hoor," werd hij uit zijn overpeinzing gerukt. Naast hem liep een marskramer, die na hem de poort was door gewandeld. "En waarom dan wel?" vroeg Tim de man. "Nou ten eerste is het er schoon, ten tweede is Thomas van "De Blaffende Vis" eerlijker dan de waard van de herberg waar de wachter je naartoe heeft gestuurd. En ten derde heeft "De Vis" het beste bier van de stad," besloot de kerel zijn opsomming, "ik ga er ook heen, dus je kunt wel met me op rijden als je wilt." "Het beste bier van de stad he?" vroeg Tim. De marskramer knikte bevestigend. "Nou laat ik dan maar mee rijden ja, en eens in een herberg slapen zonder vlooien en luizen is ook wel eens prettig," vervolgde Tim.

Enige tijd later stond het tweetal voor "De Blaffende Vis". Terwijl de marskramer naar binnenscharrelde bracht Tim zijn paard naar de binnenplaats, "zorg goed voor hem," bromde hij de staljongen toe, terwijl hij de knaap een muntstuk toewierp. Eenmaal binnen drong de geur van bier, gebakken brood en gebraad zijn neus binnen. Met forse passen liep hij naar de toog. "Een kroes bier, wat te eten en een kamer," riep hij de waard toe.
Nog even en de hele herberg was goed verlicht de muffe bierlucht kon Jan niet deren en hij bestelde nog een pul met wat eten. Toen de huurling binnenkwam schrokken de kinderen zichtbaar en ze stoven alle kanten uit om bescherming te zoeken bij hun ouders. Meestal kwam dit soort tuig niet in de Blaffende Vis. Jan wist wel beter, als iemand er zo uitzag en hier kwam had hij geen kwaad in de zin. Tenminste voorlopig niet. Misschien kon hij nog van pas komen ook. De reden van het nachtelijke jagen was nog steeds niet verholpen. Niet dat hij niks ving, maar zijn gilde begon langzaam kleiner te worden. Een voor een leken ze prooi te vallen aan het wezen. Gisternacht was hij zelf ternauwernood ontsnapt aan zijn krachten. Als dit doorgaat dan moeten de bossen worden afgesloten. Zijn mede-jagers waren het daar unaniem over eens. De noorder- en oosterpoort moeten worden afgesloten voor mensen, zolang het daar rondzwerft. Niet dat de boeren daar blij mee zouden zijn. Het zou weleens kunnen uitlopen op een rel, maar dat moest de raad er maar voor overhebben. Vanmiddag hebben we een bespreking. Misschien dat ik die vreemdeling maar eens vraag of hij mee wil op jacht. Jan pakte de pul aan en nam een hap van zijn maaltijd. Hij wilde Thomas wat zeggen maar deze was al met de vreemdeling bezig. Dan niet.

Terwijl hij zijn eten naar binnen werkte, hoorde hij een grote koets aankomen. Deze stopte voor de deur van de herberg. Thomas werd erbij geroepen, de zwarte koets was een lijkwagen en aangezien de waard veel mensen kende moest hij het lichaam identificeren. Jan ving wat woorden op “In het woud” “een monster” “de zoveelste” Hij kwam met een ruk overeind en probeerde de deur te bereiken.
Tijdens het gesprek werden ze het eens over een vriendschappelijke prijs.
Geld boeide Richard Whelan niet zo. Hij probeerde altijd een combinatie te maken van geld en andere handelswaar.
Ruilhandel.
De laatste jaren steeds meer in trek.
In dit geval was er weinig sprake van ruilhandel. Een aantal bezittingen waren in de brand verloren gegaan.
Maar de vrouw des huize was een goede kokkin en had Whelan uitgenodigd om te komen eten wanneer hij maar wilde. Omdat Richard het erg druk had en dus weinig tijd om zelf te koken, had hij het aanbod aangenomen.
Na wat handgeklap werd het gesprek afgerond.
“De nokbalk en een dwarsbalk, moeten vervangen worden,” liet Richard het echtpaar nog weten.
Beiden knikten.
“Ik ga het nodige opmeten, het een en ander bestellen en kijken wat er nog bruikbaar is,” vervolgde hij, waarbij hij het echtpaar de hand drukte.

Inmiddels werd het drukker in de gelagkamer.
Eerst was er de geur geweest van vers brood, gesmolten kaas en gebakken spek.
Nu werd de ruimte vervuld met andere geuren.
Parfum, van voorname gasten.
Geroosterd vlees.
Bier.
Ook Jan Spaak had de herberg betreden. Met lange passen liep hij naar de toog. Tussendoor begroette hij een aantal personen. Of hij Whelan gedag zei, wist Richard niet.
Nog steeds in gesprek met het echtpaar, volgde hij de bewegingen van de jager slechts vanuit zijn ooghoeken.
De vrouw hield het gesprek nog even aan en vertelde over de afschuwelijke brand. Soms met enige tranen in haar ogen.
Nog meer mensen betraden de herberg. Enkele vreemdelingen. Waarschijnlijk was er een karavaan gearriveerd.
Thomas zou het de komende dagen wel druk krijgen.
“Een kroes bier, wat te eten en een kamer,” riep iemand hem toe.
Niet alleen de herberg kwam duidelijk tot leven, maar de hele stad.
Buiten ratelde een koets.
Een man, in het donker gekleed, kwam de herberg binnen en stevende op de waard af. De man boog zich voorover over de bar heen en fluisterde iets in Thomas oor.
Even leek het alsof hij wit wegtrok, maar toen liep hij achter de man aan, naar buiten toe.

Het echtpaar had de tafel inmiddels verlaten en Whelan keek de gelagkamer rond.
De vreemdeling aan de toog had een flinke jaap over zijn linkerwang. Een litteken.
Vermoedelijk niet van dansen.
Nadat Tim zijn bier en eten had gekregen leunde hij tegen de toog. Zijn ogen zwierven door de gelagkamer, altijd waakzaam voor zaken die problemen op konden leveren. Problemen voor hem wel te verstaan. Zo zag hij een kerel in donkere kleren met een ietwat zenuwachtige waard naar buiten vertrekken. "Afpersing?" schoot het door zijn hoofd. "Niet mijn probleem," dacht hij, "tenminste, niet zolang de herberg blijft staan." Niet lang daarna kwam er een dienstertje langs om hem zijn kamer te wijzen. Hij stouwde snel zijn eten weg, goot het bier er achteraan greep zijn bezittingen en liep achter haar aan, de trap op. Hierdoor liep hij vlak langs de man die net te voren hem op zat te nemen. Tim staarde de man iets langer dan noodzakelijk aan en vervolgde zijn weg, achter het dienstertje aan.

De kamer was klein maar, zoals de marskramer al had gezegd, schoon. Een klein raampje keek uit op de binnenplaats, er stond een tafeltje, een ietwat gammele stoel, en een bed. Het was voldoende voor hem. "In iedergeval beter dan ik in de meeste herbergen ben gewend." Vaak werd hij op een slaapzolder geplaatst, tussen gasten die vaak niet veel te besteden hadden. Hij dacht dat het door zijn onvriendelijke uiterlijk kwam, of door zijn overmatig drank gebruik. "Nou het wordt tijd voor een volgende pint," besloot hij, zijn spullen op het bed mikkend. Langzaam daalde hij de trap naar de gelagkamer weer af.
Toen Jan buiten kwam had de waard het lijk al geïdentificeerd en was men druk in gesprek. Jan mengde zich ertussen en luisterde aandachtig naar de omschrijvingen. Ze werden steeds fantasierijker. Dit kan niet zo, het is niet zo groot. Die mensen weten half niet waar ze het over hebben, de meesten zelfs helemaal niet. “Stop” brulde hij “Dit is waanzin, jullie lopen te fantaseren over een monster, nog even en het is zo groot dat het de hele stad kan vernietigen. Maak hem nou, ik zal er persoonlijk voor zorgen dat dat wezen naar de hel wordt gestuurd.” En met een krachtig gebaar, van ingerukt, zette hij zijn woorden extra kracht bij. Al snel liepen de voorbijgangers door. De lijkwagen vervolgde zijn weg en Jan ging weer naar binnen.

Whelan zat alleen aan zijn tafel, kennelijk had hij zijn zaakje al geklaard. Jan ging weer aan de bar zitten. Hij dacht aan het monster. Het zal wel weer loslopen, waarschijnlijk is het een wezen van het hoge Noorden. Vanuit de diepe wouden kwam weleens verdwaald wild deze kant op. Jan had verschillende onderkomens in het woud, maar naarmate je verder van de stad kwam werden de afstanden ook steeds groter. Bijna geen een jager kwam verder dan 4 dagen lopen. Jan had het een keer gedaan, samen met een kluizenaar. Deze wist hem goed de weg te wijzen, en na een maand lopen waren ze bij het einde van het woud gekomen. Tenmiste, in het woud zaten verschillende vlakten, dit was er een van. Deze laagvlakte had een omvang van enkele tientallen vierkante kilometers. Het was hier dat Jan voor het eerst te maken had gehad met snel wild. Katachtige wezens huisden daar, ook andere vlakte dieren. Jan had daar geleerd hoe je het beste kon omgaan met deze beesten, en ook hoe je kon herkennen dat het er een was.

Verdikkeme, dat is het. Het is inderdaad een jaguar, die is gewoon verdwaald. Want normaliter komen ze helemaal niet zo ver. Ik ga vanavond opnieuw op jacht, en dit keer is hij me niet te slim af. Toen hij terug kwam van zijn missie keek men in de stad of ze water zagen branden. Hij was in totaal 2 maanden weggeweest en voor een jager op jacht betekend dat meestal niet veel goeds. Het geluk dat Jan had was dat men eerst bewijs moet hebben van je dood voor ze je huis mogen innemen of je moet meer dan een jaar vermist zijn.
Er was nog veel te doen. Dus besloot Whelan om maar eens op te stappen. Inmiddels had hij een lijstje gemaakt van materialen die hij zeker nodig had.
Verdiept in zijn schrijfsel had hij even weinig gemerkt van wat er om hem heen gebeurde, maar er kwamen wel allerlei geluiden op hem af. Net zoals het binnenin de herberg rumoeriger werd, zo werd dat ook buiten. Om en om waren de bovenlichten van de gelagkamer naar beneden gelaten en Richard dacht even de stem van Jan Spaak te herkennen. Eigenlijk klonk het meer als een bevel.
Richard vouwde zijn aantekeningen en stak deze in zijn zak, terwijl hij opstond.
Diensters met goed gevulde dienbladen liepen tussen de tafeltjes door. Toen een van hen zag dat Whelan opstond, zwaaide ze even.
Met een zwaaiend gebaar terug liep Richard naar de toog, om nog wat mensen een vluchtig gedag te zeggen. Daar zat ook Jan Spaak.
Natuurlijk waren er wat vragen die op de tong van Richard Whelan lagen, maar er was gewoon geen tijd. Wat er allemaal precies aan de hand was zou hij de komende dagen wel vernemen.
Er vond ook geen gesprek plaats maar eigenlijk eerder een verontschuldiging.
"Sorry, geen tijd. Je hebt zeker wel vernomen van de brand. Er is mij gevraagd het pand in orginele staat terug te brengen. Kom gerust eens langs."
Zonder een antwoord af te wachten, groette Whelan en liep naar buiten.
Eenmaal de straat uitlopend besloot hij toch maar niet te voet te gaan.
Hij veranderde zijn richting en liep naar de stallen.

Dena leunde op het onderste gedeelte van haar staldeur, de bovenste helft stond wijd open. Zo wijd zelfs dat hij tegen de buitenmuur van de stal rustte. Dena keek naar de herberg, hij werd goed bezocht vandaag. Ze stopte wat haar achter haar oor en luisterde naar Dastar die achter haar door de stal strompelde. Haar klungelige stalgenoot was tijdens het rennen achter een steen blijven hangen en had zijn hoef gescheurd. De smid had gezegd dat het snel weer over zou gaan als hij rust zou nemen. Ze draaide zich om en zag hoe hij met een baal hooi op zijn rug aan het zeulen was. “Rust betekent over het algemeen, dat je niets doet.” Merkte Dena spits op. Hij glimlachte scheef. “Ik zou graag willen, maar je kent Anasta, sinds ze zwanger is wil ze alleen nog maar een schone stal binnenstappen.”
Dena haalde haar wenkbrauw op, “maar we hebben het hier eergisteren helemaal schoon gemaakt.” Ze liet hem een afgebroken vingernagel zien. “Ik heb zelfs de deur helemaal geboend.” Ze pakte het hooi van hem over. “Hoe veel schoner wil ze het hier hebben?” “Zwangere vrouwen schijnen wel eens schoonmaak kuren te hebben als ze gaan bevallen.” Verzuchtte hij. Ook Dena zuchtte, “jij moet rust hebben en zij moet stoppen met mensen te vervoeren. Ik zweer het Dastie, die vrouw van jou werkt zich nog eens dood.”
Ze legde het hooi terug op de plek waar hij het had weggepakt. “Ik ga even wat te eten halen in de herberg.” Ze klopte op het buideltje dat om haar hals hing. Het geklingel van metaal was duidelijk hoorbaar. “Die brand heeft aardig wat geld losgemaakt bij de mensen.” Alle toeristen wilden het vuur het gebouw zien verslinden, ze had het erg druk gehad samen met Anasta. Ook Dastar had meegeholpen, maar was dus in het midden van alle opwinding gestruikeld en had niet verder kunnen werken.
Dastar knikte, “dat is goed. Anasta neemt wel iets voor mij mee.”
Dena knikte en opende de onderste deur, ze zag Richard Whelan net uit de herberg komen en groette hem, na een kort praatje over het vuur, het weer en het eten van de herberg, liepen ze beide verder. Dena liep de herberg in. Ze ging aan de balie staan en wachtte tot de herbergier naar haar toekwam.

Nathan was die morgen wakker geworden, liggend tegen de boom waar hij de avond ervoor tegenaan was gaan zitten. Het was een mooie boom. Lekker groot en breed met een goed gevuld bladerendak. Echt een boom waar Nathan van hield. Na zich flink te hebben uitgestrekt was hij toe aan een ontbijtje. Wat bestond uit gedroogd vlees en droge koek. Geen koninklijk maar maar het voldeed. Daarna had hij zijn spullen bij elkaar gezocht en was weer verder gegaan met zijn reis. Nathan vond al snel het pad waar hij de avond ervoor af was gestapt. Het pad zou vast wel ergens naar toe leiden en daar ergens zouden vast wezens zijn die zijn hulp konden gebruiken. Het zou niet de eerste keer zijn in zijn leven dat iemand zijn hulp kon gebruiken.

Voorlopig maakte Nathan zich nergens zorgen over. De zon scheen en het bos rook lekker. Al hing er een kleine rooklucht in de lucht. Vogels tjirpte en floten naar hartelust en een eekhoorn sprong van boom naar boom. Onder zijn hemd voelde hij zijn houtenfluit. Met zijn rechterhand pakte hij het touwtje rond zijn nek en trok deze over zijn hoofd en trok het fluitje van onder zijn hemd vandaan, bracht het mondstuk naar de mond en begon een vrolijk wijsje te fluiten.

Tim besloot eens de stad te verkennen. Na een tijdje door steegjes gedwaald te hebben kwam hij langs een gebouw wat half in de as lag. Even staarde hij naar de puinhopen. "Zou de herberg er straks ook zo bij liggen? vroeg hij zich af, "Of zijn de problemen van de herbergier niet zo groot." Hij dacht terug aan de kerel die de herbergier was voorgegaan naar buiten. Het leek hem een typisch geval van afpersing, zoals wel meer voorkwam bij herbergen en winkels. Hij had zelfs eens dat werk gedaan, een tijdje. Tot hij er achter was gekomen dat het niks voor hem was, een huurling. Hij voelde zich beter thuis in een eerlijk gevecht, waar het op je vaardigheid aankwam in plaats van winkeliers bedreigen. Zijn aandacht werd getrokken door een man die bij de puinhopen stond, die kerel had in de gelagkamer bovengemiddelde belangstelling voor hem getoond. Langzaam liep hij naar de kerel toe. "Dat moet een goede fik zijn geweest," merkte hij op.

Naarmate de ochtend vorderde werd het steeds drukker,
Zoals verwacht stonden er koetsen in de straat te wachten op klanten, drie stuks.
Een grote koets met een wapenschild op de deuren geschilderd. De koetsier daarvan was gekleed in smetteloos rood fluweel, met een bijpassende hoge hoed. De andere twee waren gewone kleine rijtuigen.
De koetsiers stonden wat met elkaar te praten.
Richard Whelan zwaaide met zijn arm en riep. Een van de twee gewone koetsiers klom op de bok, liet zijn zweep knallen en kwam met ratelende wielen naar Whelan toe gereden. Richard gaf het adres op en stapte in.
Even later kwam zijn bestemming in zicht.

Roet omgaf het gebouw met vormloze hopen van zwart en verdoezelde de belijning van de entree. Het roet hulde het gebouw in een sluierwade die zwijgen en geheimhouding leek te beloven. Een troosteloze aanblik.
Toch viel de schade mee, wist Richard Whelan.
Maar al snel deden de nodige verhalen de ronde.
Hier was een brand geweest. Een vuur met een intense hitte. Het was onmogelijk geweest om in het vuur te kijken, dat brandde als ontelbare zonnen en beslist je netvlies zou verbranden als je het zou proberen.
Een vormloze hoop geblakerd puin was alles wat er over was van het huis.
Dit was echter niet zo.
Richard Whelan pakte zijn kladblok en begon wat aantekeningen te maken.
Als hij de klus alleen moest klaren was hij wel een paar jaar bezig, maar gelukkig had hij wat vrienden ingeschakeld. Ze waren al langs geweest en hadden een afzetting rond het gebouw geplaatst. Om aan te geven dat er gewerkt werd.
En toen waren er voetstappen achter Richard Whelan en hij draaide zich om om te zien wie er nog meer hiernaar toe was gekomen.
De man met het liteken.
“Dat moet een goede fik zijn geweest,” zei de man.
“Ach, dat valt wel mee. Het ziet er erger uit dan dat het is. Eigenlijk is de brand ontstaan door de inboedel. Het huis zelf lijkt te zijn gebouwd voor de eeuwigheid. Net als de rest van de stad, trouwens. Ieder gebouw lijkt wel een stevig fort.”
Hierbij wees Richard naar boven en zei: “Het dak heeft dubbele nokkenbalken. Dat het dak gedeeltelijk is ingestort komt omdat het niet in originele staat was. Het is ooit gerestaureerd en daarbij is ander materiaal gebruikt.”
Whelan draaide zich naar de man toe en vervolgde: “Maar u bent vreemd hier. Waarschijnlijk weet u nog niets over de stad. Ik zou graag wat meer vertellen, maar nu is daar de tijd niet voor. Als u meer wilt weten kunt u altijd naar mij vragen. Mijn naam is Richard Whelan. Timmerman van beroep.”
Uitnodigend stak hij zijn hand uit naar de man met het litteken.

Tim schudde de aangeboden hand. "Tim Eenoog," stelde hij zichzelf voor aan de timmerman. "Huurling," vervolgde hij. "Enig idee wat de oorzaak was van de brand?" vroeg hij langs zijn neus weg, alsof het hem niet heel erg interesseerde. In werkelijkheid kon de brand hem eigenlijk wel gestolen worden, maar misschien kreeg hij nog wel interessante informatie. Het zou niet de eerste keer zijn dat een huis in vlammen op ging als gevolg van een bende oorlog, of omdat een winkelier zijn 'beschermings' geld niet betaald had. Zo hoopte hij een beeld te krijgen hoe actief de onderwereld in deze stad was. "Maar het lijkt me, dat ondanks de robuustheid van het gebouw, het toch nog een hele klus zal worden om alles weer op te bouwen. U bent degene die dat gaat doen?" besloot hij zijn zin.
Laatst gewijzigd door Agravain op 11 jul 2007 20:48, 1 keer totaal gewijzigd.

Gesloten